Vlaanderen 2016, een toekomstverhaal
“Dan ga ik in Australië wonen”, antwoordde ik op de vraag wat ik zou doen als enz. Ik zei het al lachend en provocerend. Wat gaat een mens doen als de ratten inderdaad over de muren kruipen? Als wat niemand voor mogelijk hield toch waarheid wordt? Als bruin de eenheidskleur van onze overspannen regenboog is geworden?
“Dan ga ik in Australië wonen.” Ik wist niks van Australië. Niet wie er de plak zwaaide of hoe verdraagzaam het volk was. Australië was gewoon mijn mentale vluchtheuvel, de tegenvoeter van het plaatselijk voetvolk dat in Vlaanderen blijkbaar losgeslagen alles van waarde weerloos wenste overboord te gooien.
Op mijn laptop stonden drie onafgewerkte interviews met gewone Vlamingen. Een routineklus die me plots onwezenlijk beangstigd had. Jaak (42) was politieagent. Hij twijfelde tussen de harde en de zachte aanpak en stelde vast dat er geen ontzag meer was voor gezag. Nicole (34) was leerkracht. Zij was fier op de topresultaten die Vlaamse leerlingen haalden, maar ze werd ook met een mes bedreigd door een van haar leerlingen. Rutger (17) stond voor een moeilijke studiekeuze: werd hij gevechtspiloot of ging hij in marketing? Film en tv boeiden hem ook. Hij was van de eerste generatie die was opgegroeid met reality-tv. Maar die mocht volgens hem wel wat spannender worden. Het was 2006 en al deze mensen voelden dat hun land op een keerpunt stond. Er moest iets gebeuren. Maar wat? De tijd rammelde aan deuren en vensters.
Ik hield aan mijn ontmoetingen met deze gewone mensen een vreemde nasmaak over. Ik staarde naar mijn teksten en keek plots dwars door het scherm naar het moeras achter hun woorden. Hadden die Vlamingen echt gezegd wat ze bedoelden? Of huisde in hen ook een ziel met driedubbele bodems? Ik had niks mispeuterd en er was geen directe aanleiding toe maar plots wilde ik de wereld alleen nog indelen in twee categorieën: zij die mij zouden verraden en zij die mij niet zouden verraden. Waarover het verraad zou gaan maakte niet eens veel uit. Het leek of bij elk gesprek met deze gewone mensen een stok achter de deur stond, of er door de spleten van deuren en vensters een vreemde tocht door het huis joeg. Vlaanderen? De wind- en watermolens waren er al langer stilgevallen. Nu verstomden ook de klokken in de kerktorens, de mussen in de bomen en de zangers op de podia. De keurige gazons in de villawijken werden omgewoeld door niet te vangen mollen. De impressionistische landschappen maakten plaats voor uitzicht met ranzige contouren. Soms leken de landelijke riviertjes landinwaarts te stromen. Dan keerden de open blikken naar binnen en werden de glooiende lijven van Rubens met een ruk rechtgetrokken. De wolken van het platte land dreven niet meer de grenzen over maar stapelden zich op boven een gesloten horizon van een eng land.
Je kan niet zeggen dat ik niks geprobeerd heb. Van alles. Veel. Voor wat een mens maar kan. Maar in oktober 2006 heb ik definitief het vliegtuig genomen. Naar Australië. Wat daar gebeurde maakt deel uit van een ander verhaal. Ik heb er me totaal afgezonderd. Van het wereldnieuws en van Vlaanderen heb ik tien jaar lang niks meer gehoord of gezien. De enige afspraak met mezelf: na tien jaar zou ik mijn drie laatste gesprekspartners opnieuw opzoeken voor een gelijkaardig interview: de politieman, de leerkracht en de twijfelende jongere. (“Als je een land echt wil leren kennen, bezoek dan de scholen en de gevangenissen.”) Wat zou er gebeurd zijn met de vermoedelijke stokken achter hun deuren en de vermeende tocht door de spleten van de deuren en vensters in hun huizen? Wat had ik mij ingebeeld en hoe zouden de tijden al dan niet veranderd zijn?
Vandaag is het 9 oktober 2016. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik verlaat de luchthaven van Leipzig voor een korte vlucht naar Deurne. Er zijn geen grote internationale of rechtstreekse vluchten meer naar Vlaanderen. De regio heeft de grenzen gesloten. Het lukt alleen nog via een achterpoortje. Wat tien jaar geleden nog als de hoofdstad van Vlaanderen doorging, is nu een eigen staat geworden. De streng afgestelde metaaldetector stuurt me terug. “Ik kom uit Australië”, zeg ik. “Maar ik ben een Vlaming.” De officier kijkt me argwanend aan. Dat ik als beroep “journalist” heb opgegeven maakt hem niet meteen uitbundiger.
In tien jaar tijd kan er veel gebeuren. Toen Kennedy vermoord werd, was ik misdienaar bij de ochtendmis van kwart voor zeven. In het Latijn. De Mechelse catechismus dreunden we van buiten op en voor de Kruisdagen sleurde ik drie ochtenden lang een metershoog kruis door de velden van ons dorp, samen met een pastoor op blote voeten en een zwerm biddende inwoners. Om de vruchtbaarheid van het veld af te kopen. Tien jaar later waren al die dingen onderwerp van satire op tv. Toen ik in 1990 voor een ministerie ging werken, kreeg ik op mijn eerste werkdag een potlood, een scherper en een lat. Mijn aanstelling werd in hortend Vlaams-Frans per telegram doorgestuurd. Tien jaar later waren al die dingen al te ongeloofwaardig geworden voor satire op tv.
In oktober 2006 vertrok ik dus halsoverkop naar Australië. Omwille van enz. Nu zijn we precies tien jaar later. In tien jaar tijd kan er veel veranderen. Maar wat? En hoe? En waarom? Ik zoek mijn drie laatste gesprekspartners van toen weer op. Ze praten over hun gewone leven. Net als toen. Ondertussen is er geen satire meer op tv. Het leven zoals het is: de satire is de norm geworden. Dit werkstuk wordt trouwens nergens uitgegeven. (“Onze raad van bestuur enz.”). U leest een illegale kopie. Welkom in Vlaanderen 2016. Ondanks alles en juist daarom.
Jaak (42) in 2006:
«Ze moeten willen luisteren»
«Ik ben politieagent maar dat beroep is er niet gemakkelijker op geworden. Aan een bepaald soort jonge mensen heb je niks meer te zeggen. Als ze iets mispeuteren, kunnen we niet veel meer doen dan hun naam opschrijven. Paperassen en paperassen waar voor de rest niets mee gebeurt. Vroeger kende je de mensen bij naam, maar hoe de Ali’s en Mustafa’s allemaal heten, weet ik niet. Ik weet niet wat de juiste aanpak is: harder of zachter? Eigenlijk zitten we bij de politie meestal op kantoor. Ik zou er niets mee inzitten om meer onder de mensen te komen. Maar dan moeten ze wel willen luisteren. Nu is er geen ontzag meer voor het gezag.»
Jaak (52) in 2016:
«Het nationaal geluk ligt in de eigen straat»
Tien jaar geleden zat hij nog als politieagent op een kantoortje. Nu werkt hij thuis en in de eigen straat. Jaak (52) is één van de driehonderd cultuurcommissarissen in zijn eigen dorp. Iedereen kent hem en hij kent iedereen. Cultuur is in Vlaanderen op korte tijd een breed begrip geworden en leeft nu in elke straat: van bloemkooltent tot volksopera.
Je huis is niet moeilijk te vinden: we hoorden de mensen al zingen in je tuin toen we de straat binnenreden.
Leuk toch! In de zomer komen we drie namiddagen per week samen om te zingen. De hele straat doet mee. Als het regent, duiken we onder in onze garage. We hebben subsidies gekregen om die te verbouwen. Ze heet nu “Het Merelnest” en doet dienst als een soort cultureel centrum, maar dan in het klein: dichtbij de mensen en alleen voor onze eigen straat.
Heeft elke straat zo’n centrum?
Toch bijna. De grote culturele centra zijn nu bijna allemaal gesloten. Daar kroop ongelooflijk veel geld in en er kwam procentueel bekeken geen twintig procent van de bevolking over de vloer. Dat is maar één op vijf! Nu bereiken we met veel minder geld veel meer mensen. De grote administratieve gebouwen zijn trouwens ook verdwenen. In een kleine gemeente van 12.000 mensen werkten tien jaar geleden gemiddeld meer dan 300 mensen voor de overheid, de politie niet eens inbegrepen. Dat is één medewerker voor 40 mensen. Die medewerker hebben we nu terug naar zijn eigen straat gebracht en hij doet er alles: voor dubbel zoveel mensen, gemiddeld een stuk of honderd. Dat zijn maar een dertigtal gezinnen. De subsidies gaan op die manier nu rechtstreeks naar de mensen in de straat.
“Het Merelnest” ziet er creatief uit.
We hebben er materiaal om potten te bakken, zijde te schilderen of te aquarellen, een karaoketoestel, een klein podium enz. We hebben onze eigen cultuur terug ontdekt.
Zelfs de bibliotheek is naar de straat verhuisd.
We moeten daar eerlijk in zijn. Sinds het internet er is, kwamen er nog minder mensen naar zo’n bibliotheek. Twee op drie kwam er nooit. Er stonden daar vele duizenden boeken die nooit iemand las. Er zat daar ook veel prul tussen. Nu heeft elke straat zijn eigen boekenkast. Die bestaat uit twee delen: de vaste collectie van de tweehonderd beste Vlaamse boeken én een wisselende kast waarin de beste boeken uit de oude bibliotheek zitten maar die kasten wisselen nu elke maand van straat. De cultuurcommissie selecteert wat erin komt. Op die manier kunnen we allemaal onze grote klassiekers lezen én af en toe een nieuw boek ontdekken. De straatbib is een groot succes. De Vlaamse klassiekers zijn voor alle schoolkinderen verplicht maar ook de volwassenen lezen ze: bij sollicitaties worden er citaten uit voorgelegd en de maandelijkse quiz haalt er veel vragen uit.
Je was vroeger politieagent en nu cultuurcommissaris. Een heel verschil.
Maar nee. Iedereen die bij de overheid werkte, heeft een herscholing gekregen en doet nu in zijn eigen straat alle taken die vroeger heel verspreid door veel mensen gedaan werden. De oude aanpak zorgde voor een anonieme samenleving zonder veel verantwoordelijkheidsgevoel. Ik doe nu zowel de administratie voor de hele straat als de cultuur- en sportpromotie. Daarnaast heb ik nog wel een paar halve dagen over voor de klassieke politietaken, maar die zijn ook sterk afgenomen. Er is gewoon minder criminaliteit. We hebben elke straat beter onder controle. Ik moet als cultuurcommissaris maar honderd mensen in de gaten houden en begeleiden. Sommige langere straten hebben wel vijf cultuurcommissarissen! Wij kennen onze pappenheimers. Een uniform is dus niet echt nodig, maar ik ben toch blij dat we er een dragen. Zo herken je ook meteen de andere cultuurcommissionarissen en bij een conflict geeft het ons meteen het gezag dat we verdienen.
Je houdt lijsten bij van elke inwoner?
Dat doet de computer. Wij geven alle gegevens in: waar en wanneer werkt iemand, hoe brengt hij zijn vrije tijd door, welke boeken leest hij, welke internetsites bezoekt hij, aan welke activiteiten neemt hij deel, waar en wanneer gaat hij op reis, wie zijn zijn vrienden, hangt hij de vlag uit bij feesten enz… Als je maar honderd man in de gaten moet houden, kan je echt op alles letten. Er is een puntensysteem aan verbonden: de meest actieve burger krijgt bepaalde voordelen. Dat is maar normaal. En wij stimuleren de mensen om zoveel mogelijk punten te verzamelen.
Sport valt nu ook onder jouw bevoegdheid?
Die grote sporthallen zijn er nog alleen in de steden, voor de topsporters. In de straten hebben we de volkssporten terug ingevoerd. Wie kon er nog schuifbollen, ringsteken of eggeschieten? Nu leert iedereen weer kegelen, vogelpik, steltlopen, touwtrekken en beugelen. Dat materiaal is niet duur en de interstratencompetities kennen een groot succes. Elke straat wil in een of andere sport de beste zijn. Het zwembad is nog wel open. Dat is elke week een uur gereserveerd voor onze straat. In elke straat ligt wel een braakliggend terrein. Daar heeft de gemeente gratis doelpalen geplaatst, zodat we allemaal kunnen voetballen. Op drie jaar tijd is het aantal mensen dat in onze straat aan sport doet verdrievoudigd! Deelnemen aan Vlaamse sporten is volledig gratis. Wie dure uitheemse sporten zoals tennis, volley of basket wil doen, moet daar maar voor betalen.
Waar is jullie straat goed in?
Dankzij de karaoke hebben we enkele goede zangers ontdekt. Zij trekken het zangkoor op. Maar bij de jongeren is ook het vendelzwaaien weer populair geworden, net als volksdansen. Soms is Het Merelnest al te klein! De Bessenstraat heeft een heel goed toneelgezelschap. Zij zijn hier ook al komen optreden. En dan gaan onze Zwaaiende Merels bij hen. We kunnen echt wel van een kruisbestuiving spreken.
Ik zie zelfs schilderijen tegen de muren.
Dat is werk van de Windmolenstraat. Zij gebruiken verschillende technieken om hun eigen straat in beeld te brengen. Er zitten ook enkele jonge fotografen bij. Zij spelen met de pixels en hebben de familiefeesten op een originele manier in beeld gebracht.
Weinig beelden van verre streken of landen.
Dat is ook niet nodig. Je zal in Griekenland of Senegal ook geen foto’s of schilderijen van de Kempen of van onze garnaalvissers vinden. En zij zullen daar ook geen meiboomdansen uitvoeren. Tien jaar geleden hoorde je in de Vlaamse culturele centra alleen nog panfluitspelers, djembés en flamenco. De trekzak en de draailier waren bijna verdwenen. Dat tij hebben we eindelijk kunnen keren. Maar daar zijn dus drastische maatregelen voor nodig.
Krijgen jullie ook aandacht in de media?
Heel veel. De nationale radio- en televisiestations komen pas ’s avonds in actie. Overdag is de zendtijd helemaal voor de straat-en stadsomroepen. Dat is vooral interessant in het weekend. Sommige sportcompetities tussen de straten kunnen we rechtstreeks volgen. Omdat de muziekprogramma’s nu voor meer dan de helft uit Nederlandstalige muziek moeten bestaan, krijgt lokaal talent veel meer kans. Wie had tien jaar geleden kunnen hopen dat er nog nummers in de toptien zouden staan die iedereen kan meezingen, zoals “Hop Marjanneke, stroop in’t kanneke” en “Waar de blanke top der duinen staat”? Die programma’s worden gesponsord door onze lokale winkeliers, zodat zij ook een graantje van het succes kunnen meepikken. Vroeger was dat alleen maar voor de grote merken en ketens weggelegd.
En de festivals?
Die zijn veel kleinschaliger geworden. Tien jaar geleden kwamen er soms nog tienduizenden mensen samen voor festivals die overliepen van drank en drugs. Dat is van de baan. Nu slaan in de zomer enkele straten de handen in elkaar voor een buurtfestival met eigen talent. Daar zorgen de cultuurcommissarissen voor. En iedereen is welkom: van 7 tot 77 jaar! We hebben de eigen feesten een nieuwe impuls gegeven. Nu dansen we weer rond de meiboom en vorig jaar was de kerstboomverbranding een fenomenaal succes. Ook dat is kunst! Die vlammen, die schittering. De Schuttersberg werkt zelfs aan een volksopera met allemaal eigen mensen.
Het is opvallend hoeveel oudere mensen jullie bereiken.
Sinds de rusthuizen gesloten zijn, wonen zij weer in hun eigen gezin en in hun eigen buurt. En ze doen mee. Vroeger sloten we ze op in instellingen aan de rand van het dorp. Nu blijven ze thuis. Het geld van de rusthuizen en de ocmw’s vloeit nu rechtstreeks naar de mensen. Die zorgen zelf voor hun kinderen en bejaarden.
Dat zal niet gemakkelijk zijn voor tweeverdieners.
Dat woord bestaat niet meer sinds de grote belastinghervorming. Het gezin is nu meer dan ooit de hoeksteen van onze samenleving. Wie trouwt, ziet zijn belastingen gehalveerd. Wie dat niet doet, ziet ze verdubbeld. De keuze is rap gemaakt. Met twee gaan werken is echter onmogelijk geworden: een van de twee moet kiezen. Meestal kiest de vrouw ervoor om thuis te blijven en de zorgende taken op zich te nemen. Ze wordt daar goed voor betaald. Als je ziet hoeveel geld er vroeger kroop in voor- en naschoolse opvang, bejaardenzorg, ziekenzorg, vervoer, poetsdiensten en babysit… Dat gaat nu allemaal rechtstreeks naar de thuiswerkende vrouw. Nu de meeste vrouwen en vreemdelingen van de arbeidsmarkt verdwenen zijn, is er trouwens nog nauwelijks werkloosheid. Er is werk voor iedereen! Vaak in de eigen buurt!
En de jeugd?
Ze hangen niet meer rond in andere straten. Hun chipkaart zorgt ervoor dat ze in de eigen straat blijven. “Het Merelnest” is er ook voor hen. Omdat ze het moeten delen met jonge kinderen en oudere mensen, leren ze al rap wat “overlast” is. Pubers zullen het altijd wat moeilijker hebben, maar de sociale controle is nu groot genoeg om hen in de hand te houden. Vandalisme komt nog nauwelijks voor. Wie gaat zijn eigen straat nu beschadigen? En in een andere straat hebben ze niks verloren.
Kan je je werk nog vergelijken met je oude politiewerk?
Toen waren de regels veel onduidelijker. Nu weet iedereen waaraan hij zich moet houden. Er zijn geen uitzonderingen. Nultolerantie heet dat, zeker voor drugs, diefstal, vandalisme en zogezegde “vrije meningsuiting”.
Toen ik daarstraks de straat binnenreed ging er meteen een alarm af.
Dat klopt. De basisidee is dat de straat van de mensen is. Daar moeten geen vreemdelingen komen. We hebben allemaal een chipkaart met onze adrescode. In de eigen straat piept er niks, maar als je voorbij de controlepalen van een andere straat komt, gaat er een alarm af. Dan kan je je registreren om het te stoppen. Zo weten we altijd wie in welke straat is. Mijn computer heeft daar ook een minutieus bestand van. En de webcam kijkt mee. Op die manier is de criminaliteit overal bijna helemaal lamgelegd.
Op de hoek van de straat ligt zelfs een gezellig eethuisje.
Dat was vroeger een kebabzaak. Toen de vreemdelingen moesten vertrekken, heeft de gemeente hun bezittingen aangeslagen. Van de meeste pizzahoeken, Chinese restaurants en kebabzaken zijn meteen nieuwe eethuisjes gemaakt. Daar komen nog alleen streekgerechten op het menu: Vlaamse karbonaden, konijn met pruimen, worst en stoemp… Op buitenlandse gerechten moet dubbele BTW betaald worden. Daarom is de verkoop van kebab, pizza, hamburgers en loempia enorm gedaald. Frieten, witlof, spruitjes, bloemkool, Mechelse koekoek en wortelpuree, mattentaarten en knapkoeken doen het nu heel goed. Er is nog discussie over of de hoge BTW ook geldt voor Brusselse wafels en koffie. Maar de eigen keuken is de regel geworden.
Is al het vreemde voedsel verdwenen?
Er zijn uitzonderingen voor bananen enzo. Maar alles wat van een vreemd land komt, wordt nu extra belast. Ook uitheemse eetgewoonten zijn nagenoeg verdwenen: cornflakes als ontbijt bijvoorbeeld.
Waarom ging er op de middag een sirene af?
Ook daarmee willen we een oud gebruik in ere herstellen. Het was ongebruikelijk geworden dat mensen nog op hetzelfde moment samen aten. Dat kwam vooral door de invloed van de Amerikaanse levensstijl. Nu ook de vreemde televisieprogramma’s voor 50% zijn terug gedrongen kunnen we ons eigen ritme weer volgen. Om de mensen daaraan te helpen denken gaat er vier keer per dag een sirene af: om kwart over zeven voor het ontbijt, om kwart over twaalf voor het gezamenlijk middageten en om zes uur voor het avondeten. ’s Avonds gaat de sirene voor de laatste keer. In de winter om acht uur, in de zomer om tien uur. Dan moeten de rolluiken overal naar beneden. De meeste mensen zijn blij dat ze het oude ritme terug te pakken hebben gekregen.
De tuintjes liggen er ook proper bij.
Daar is dan ook een populaire wedstrijd voor uitgeschreven: “Eigen tuin, eigen lust”. In de jury zitten de tuincentra uit de buurt. Zij leveren de mooie beelden, banken, fonteintjes, stinkertjes en buxushagen. Elk seizoen zijn er winnaars die met de grote geldprijzen gaan lopen. In het reglement staat dat vreemde invloeden geweerd moeten worden. Zonnebloemen en lavendel horen eigenlijk thuis in Zuid-Frankrijk. Daar moet je hier niet mee afkomen. Evenmin als seizoensversieringen rond Halloween ofzo. De cultuurcommissie heeft de volkseigen seizoensthema’s vastgelegd rond de krokus, de meiboom, de oogst, het najaarsfruit en de maretak.
Gaan jullie ook nog naar de stad?
In de vooravond komen we samen in Het Merelnest maar als het donker wordt, komt er bijna niemand meer op straat. Alleen de buurtpatrouille houdt dan een oogje in het zeil. Daarvoor werken we met een aantal straten samen. Er gaat nu een petitie rond om de avondklok in te stellen, zeker tijdens de wintermaanden. Dat neemt het onveiligheidsgevoel weg. In het weekend gaan we nog wel eens naar de stad, maar daar is niet meer te beleven dan thuis.
Zijn er nog plannen om het cultureel leven in de buurt op te krikken?
Veel. De cultuurcommissie heeft nu bijvoorbeeld voorgesteld om alle straatnamen die niet verwijzen naar onze eigen streek en geschiedenis, te vervangen. Middenlaan of Zuidstraat verwijzen eigenlijk nergens naar. Dat is niet goed. Daarom komen er overal uitsluitend streekeigen namen: Heidestraat, Muggenpad, Guldensporenstraat, Breydelweg, Rodenbachstraat, Gezelleweg enz. Elke straat krijgt een feest dat aansluit bij de eigen naam. Dat geeft de mogelijkheid om ook de plaatselijke fauna, flora en geschiedenis nog dichter bij de mensen te brengen. We zijn weer fier geworden op onze eigen straat, streek en cultuur. En daar is het tenslotte allemaal om te doen.
Nicole (34) in 2006:
«Ik denk dat ik uit het onderwijs stap»
«Van leerkrachten wordt de jongste tijd veel te veel verwacht. Wij moeten zowel psycholoog, therapeut als straathoekwerker zijn. En daarnaast zouden we dan ook nog les moeten geven. Voorlopig scoren de Vlaamse leerlingen nog heel hoog op het vlak van wiskunde. Maar dat zal zo niet blijven duren. Vorige week werd ik nog door een van mijn leerlingen met een mes bedreigd omdat ik zijn toets had kapot gescheurd. Thuis worden ze in de watten gelegd. Vroeger kreeg een leerkracht per definitie gelijk. Nu moeten we van zowat alles een proces-verbaal opmaken of we krijgen een advocaat op ons dak. De planlast en de druk is te groot. Er moet eindelijk rust komen in onderwijs of het is helemaal om zeep.»
Nicole (44) in 2016:
«Nu geef ik les in een bronzen school»
Nicole (44) draagt nu, net als haar leerlingen, een uniform. Met een bronzen ster. Daar is ze gelukkig mee. Zilver mag ze vergeten. Tien jaar geleden werd ze nog bedreigd door een van haar leerlingen. «Dat is nu niet meer denkbaar», zegt ze. «Het nieuwe systeem is voor iedereen veel duidelijker.» En de resultaten mogen er zijn. Vlaanderen staat nu niet meer alleen voor wiskunde aan de top. Ze gaan voor goud over heel de lijn.
Het valt me op dat er alleen nog meisjes in deze school zijn.
De gemengde scholen waren een vergissing. Dat hebben de hervormers gelukkig tijdig ingezien. Jongens zijn nu eenmaal heel anders dan meisjes. Door ze apart op te voeden, krijgt elk individu de beste kansen. Jongens gaan heel anders om met elkaar, met taal en wiskunde, met hun gevoelens, omgeving, lichaam, gezag enz. Onderzoekers hadden bijvoorbeeld al lang vastgesteld dat meisjes meer hun rechterhersenhelft ontwikkelen dan jongens. Toch bleven we ze samen opvoeden. Dat is nu gedaan.
Vroeger stelde men dat ze ook van elkaar kunnen leren.
Dat zijn mooie theorieën maar in de praktijk komt daar niks van. Meisjes zijn nu eenmaal zorgender, passiever en creatiever. Jongens zijn stoer, actiever en competitiever. Als je jongens tegen elkaar uitspeelt halen ze betere resultaten, meisjes klappen dan dicht.
Er geven hier ook enkel vrouwen les.
De scheiding is op alle niveaus doorgetrokken. De jongens hadden geen ontzag meer voor de vrouwen. Nu krijgen de jongens alleen van mannen les. Die weten hoe ze ze moeten klein krijgen. De vrouwen kunnen op hun beurt meisjes beter leren wat hun rol in de samenleving is. Ze beheersen beter de typisch vrouwelijke taken die nu meer aandacht krijgen op onze school. Vroeger maakten we ons belachelijk door die jongens te leren dansen of koken. In de praktijk bleek immers dat ze dat later nooit toepasten.
Waar hebben jullie zo snel genoeg mannelijke leerkrachten gevonden?
Die waren er inderdaad te weinig. Maar daar is snel verandering in gekomen. De mannen voelden zich opnieuw uitgedaagd. De vervrouwelijking van het onderwijs stak hen tegen. En de overgangsmaatregel heeft heel sterk geholpen: mannen met een militaire of politionele opleiding konden meteen in het onderwijs voor jongens aan de slag. Alle te vroeg gepensioneerde mannelijke leraars zijn trouwens meteen terug geroepen. De meesten waren blij met de grote hervorming. Ze konden meteen terug hun gezag laten gelden. Dat was voordien bijna onmogelijk geworden. Bij vrouwen zijn er veel ontslagen gevallen, maar die konden dan op hun beurt weer meteen overschakelen op thuiswerk en op de verpleging, waar grote tekorten waren.
Je geeft nu les in een bronzen school. Waar komt dat idee vandaan?
De hervormers hebben terug gegrepen naar het principe van Plato: burgers worden met een gouden, zilveren of bronzen karakter geboren en zijn daarom van nature voor een bepaalde maatschappelijke rol bestemd. Dat is filosofisch allemaal goed onderbouwd. Er is daar in Brussel wel over gediscussieerd maar uiteindelijk is er voor een drastische oplossing gekozen. Nu zijn er gewoon gouden, zilveren en bronzen scholen. Daar is geen discussie meer over.
Hoeveel leerlingen zitten er in een gouden school?
Een land heeft genoeg aan 10% grote leiders. Voor Vlaanderen gaat dat over 100.000 leerlingen. Die zitten allemaal in een gouden school. Zo zijn er een vijftal in elke provincie. Je komt er binnen als gouden kleuter en je gaat er op je achttiende buiten met een gouden diploma. Die scholen hebben de beste leraars gekregen en laten iedereen afstuderen. Zittenblijven bestaat niet meer. En het beruchte watervalsysteem van vroeger is helemaal verdwenen. Je kan niet meer afzakken naar een lager niveau. Wie in een gouden school zit, blijft daar.
Wie beslist of je daar terecht komt?
Het is daar geen lachertje eh. Maar de kwaliteiten voor leiders kan je wel trainen. De onderzoekers wisten al langer dat de financieel-economische situatie van de ouders heel bepalend is voor de uiteindelijke slaagkansen. Dat uitgangspunt is dus bepalend. Beide ouders moeten na de geboorte van het eerste kind verschillende tests afleggen: Nederlandse taal, wiskunde, economie en Belgische wetgeving. Die resultaten worden samengevoegd met de gegevens over hun inkomen, plaats op de sociale ladder en karakteristieken van de buurt waarin ze wonen. Wie in de hoogste categorie zit, moet zijn kinderen naar een gouden school sturen. De zilveren scholen zijn goed voor 30% of 300.000 leerlingen. De bronzen scholen tenslotte vangen 40% of 400.000 leerlingen op.
Alle kinderen van één gezin zitten dus in dezelfde kleur?
Natuurlijk. Op die manier worden broers en zussen ook niet gescheiden. De enige mogelijkheid om je kinderen in een andere kleur te krijgen is na een nieuwe geboorte opnieuw de tests af te leggen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je een nieuwe partner hebt of dat je in een andere sociale categorie bent beland. Maar het ziet ernaar uit dat de meeste kinderen in dezelfde kleur blijven. Zoveel verandert er niet. Een schoolcarrière was vroeger ook tamelijk goed voorspelbaar.
Zijn de schoolgebouwen hetzelfde gebleven?
Meestal wel. De gouden scholen zijn ondergebracht in oude, leegstaande kazernes en asielcentra. De militairen hebben nieuwe kazernes gekregen, asielzoekers zijn er niet meer. De zilveren en bronzen scholen zijn echter in de oude schoolgebouwen gebleven. Daar is nu iets meer plaats.
Als ik de percentages brons, zilver en goud samentel kom ik nog maar aan 80%. Waar zitten de 20% andere leerlingen?
Dat zijn geen leerlingen meer. Daar waren vroeger ook alleen maar problemen mee. Ze spijbelden, zaten aan de drugs, pleegden geweld, konden niet volgen of vertoonden allerlei leerproblemen. Niet iedereen is voorbestemd om zomaar naar school te gaan. Die groep, nog zo’n 200.000 kinderen, is nu ondergebracht in werktuinen. Daarvoor worden meestal fabriekspanden gebruikt die leeg staan sinds er zoveel bedrijven zijn uitgeweken naar lageloonlanden. Die evolutie kunnen we alleen maar tegenhouden door zelf voor bepaalde arbeid lage lonen uit te betalen. In de werktuinen kan dat, omdat het nog om minderjarigen gaat. Zo hebben we al enkele heel arbeidsintensieve activiteiten terug in eigen land kunnen houden. In West-Vlaanderen worden de garnalen nu bijvoorbeeld weer goedkoop gepeld in de werktuinen in plaats van ze naar zuiderse landen te transporteren. Hetzelfde met verpakkingsindustrieën, knopen van fijnmazige visnetten, micro-schakelingen enz. Kleine en jonge handen zijn daar beter voor geschikt. De werktuinen staan ook in voor het onderhoud van de gouden en zilveren scholen, zodat de leerlingen zich daar volledig op hun studie kunnen toeleggen. In de werktuinen is trouwens ook plaats voor ontspanning. De tv staat permanent aan. Daarnaast stellen we veel elektronische spellen ter beschikking die individueel kunnen gespeeld worden. Dat interesseert deze categorie jongeren het meest.
En de probleemleerlingen?
Die zijn er veel minder. Ze moeten niet tegen hun zin naar school. In de werktuinen kunnen ze heel veel nuttig werk verrichten. Nu ze zelf parken en pleinen moeten opruimen, houden ze die ook veel properder. Nu ze weten dat ze de graffiti zelf van muren en treinen moeten halen, komt het veel minder voor. Ze worden ook ingeschakeld om het huisvuil te sorteren. De gewone burgers waren die selectie in verschillende bakken en zakken grondig beu geworden. Zelfs de containerparken en kringloopwinkels worden nu door de werktuinen bemand. In de verschillende seizoenen worden ze ingeschakeld voor werk waar we nog weinig werknemers voor vonden, nu er veel minder migranten zijn. De fruitpluk bijvoorbeeld. Eigenlijk is er niet zoveel verschil met vroeger. De mensen die in die werkomstandigheden terecht kwamen, kwamen toch al uit een bepaalde stroom. Nu is het gewoon van bij het begin voor iedereen veel duidelijker.
Er is minder geweld op school?
Tien jaar geleden ging er geen week voorbij of er kwam weer zo’n geval in de krant en op tv. Leerlingen werden gepest en leraars bedreigd. Dat is nu grotendeels voorbij. Het heeft enige voeten in de aarde gehad maar al het volk dat we vroeger betaalden voor zogeheten leerlingenbegeleiding is nu omgeschoold tot repressiewerkers. Voor pesterijen, ongehoorzaamheid, geweld of opstandig gedrag is van jongsafaan de nultolerantie ingevoerd. Kattenkwaad escaleert altijd tot criminaliteit. Repressie is de beste preventie.
Ik zie ook weinig groepjes op de speelplaats.
Dat is normaal. Er is een algemeen samenscholingsverbod. We weten dat de belangrijkste invloed op jongeren gevormd wordt door de zogeheten peer-group van leeftijdsgenoten. Onder druk van de groep gaan jongeren over tot druggebruik, vandalisme en pesterijen. Wie zich nu nog in vaste groepjes verenigt, wordt aangeklaagd voor bendevorming. Daar zijn we redelijk streng in. Dankzij de repressiewerkers hebben we de bewaking zowel in de klas als tijdens vrije momenten kunnen verdrievoudigen. Dat levert resultaten op.
Er hangen overal camera’s.
Dankzij de webcams kunnen niet alleen de repressiewerkers de leerlingen op de voet volgen, maar ook de ouders thuis. Zo overbruggen we de kloof tussen thuiscultuur en schoolcultuur. Het heeft geen zin dat wij de leerlingen op school hard aanpakken, als de ouders hen thuis als watjes behandelen. Bovendien zorgt het elektronische pasje van elke leerling voor een vlotte registratie. Hij regelt er ook de betalingen van frisdrank, sigaretten enz. mee. Daarmee is ook het probleem van onbetaalde facturen van de baan. De ouders moeten die pasjes bij het begin van het schooljaar opladen. Als het geld op is, kan de leerling niets meer gebruiken of nog langer deelnemen aan extra-activiteiten. Bepaalde straffen zijn trouwens vervangen door geldboetes. Daar zijn ouders én leerlingen veel gevoeliger voor dan voor een oude strafstudie bijvoorbeeld.
Het uniform ziet er vrij sober uit.
Vroeger waren er eigenlijk ook uniformen. In bepaalde scholen droeg iedereen eenzelfde soort kleren: zwart, grijs, jeans… Het waren slechts enkelingen die probeerden op te vallen: spaghettibandjes, losse broeken, geen veters in de schoenen, piercings… We staken daar met de leerkrachten veel tijd in om de reglementen telkens opnieuw aan te passen aan weer een nieuwe rage die niet door de beugel kon. Nu is het voor iedereen duidelijk. Iedereen draagt hetzelfde uniform. Alleen de sterren maken het verschil: die van de bronzen school, dragen een bronzen ster. De leerkrachten hebben trouwens ook een aangepast uniform gekregen, inclusief de ster. De staat stelt die kleren ter beschikking. Dat draagt bij tot de herwaardering van de leerkracht.
Heeft elke school dezelfde eindtermen en doelstellingen?
Binnen dezelfde kleurencode wel. Er mag geen verschil zijn tussen een zilveren school in Overpelt of Dendermonde. De doelstellingen zijn goed omschreven. Dat komt ook omdat alle vage inhouden eruit zijn gevlogen. Wat bedoelde men vroeger met “burgerzin” of “leren kiezen”? Daar moet een school zich niet mee bezig houden, evenmin als met “participatie” ofzo. Dat zijn dingen die ook in de moderne samenleving niet meer voorkomen, waarom zouden we daar dan op school mee moeten bezig zijn?
Volgen alle leerkrachten die richtlijnen op?
In het begin waren er nogal wat leerkrachten die een herscholing moesten volgen. Je mag niet vergeten dat er nog sommigen actief waren die de periode van mei’68 met zich meesleepten. Tien jaar geleden durfde men er zelfs nog over discussiëren of een leerkracht niet beter zou overschakelen op een groene pen om te verbeteren, zodat hij ook kon aanduiden wat een leerling wel goed kon. Dat soort onzin is nu volledig verdwenen. Gelukkig waren er ook al lijsten aangelegd met namen van leerkrachten die zich in de les met politiek bemoeiden of leerlingen ophitsten. Die zijn bij de hervorming meteen uit het systeem gehaald. Daarvoor worden trouwens ook de leerlingen zelf ingeschakeld. Ze mogen voluit participeren in de opsporing van leerkrachten die hun boekje op dat vlak te buiten gaan. De inspectie is omgevormd tot een expertencommissie die afwijkend gedrag van leerkrachten onmiddellijk sanctioneert. Daardoor is de evolutie ook vrij snel kunnen gaan.
Het onderwijs heeft altijd veel geld gekost. Zijn de uitgaven nu onder controle?
Grotendeels wel. Dat komt vooral door de inbreng van het bedrijfsleven. Zo worden de bronzen scholen, toch wel goed voor 40% van de populatie, volledig betaald door sponsoring. Hier worden dan ook vooral werknemers opgeleid die in de fabrieken zullen werken. De koepelorganisatie van het bedrijfsleven heeft zelf de eindtermen voor die scholen mogen vastleggen, zodat ze tenminste werknemers afleveren die naadloos aansluiten op het werkelijke beroepsleven. Om de overgang te vergemakkelijken presteren de leerlingen van de zilveren scholen één extra dag per week in het bedrijfsleven, diensten en handel. Dat is de zaterdag geworden. In ruil voor de sponsoring van hun onderwijs, presteren de leerlingen die dag gratis. Bovendien doen ze zo de broodnodige ervaring op om later gemakkelijk werk te vinden. Een win-win operatie voor iedereen. Vooral ook omdat het voor de bedrijven en handelszaken steeds moeilijker werd om nog werknemers te vinden die tijdens het weekend wilden werken.
En de resultaten van de leerlingen?
Die blijven bij de wereldtop voor de meeste vakken. Iedereen weet nu veel beter wat van hem verwacht wordt. Voor de bronzen scholen leggen we de lat bijvoorbeeld niet te hoog, maar wel hoog genoeg om die internationale testen te kunnen winnen. Maar de 20% probleemgevallen tellen nu niet meer mee. Vanuit de werktuinen kunnen zij de statistieken niet meer beïnvloeden.
De leraars werken ook allemaal veel langer voor hetzelfde loon.
Dat komt vooral omdat het aantal vakantiedagen gehalveerd is. Tien jaar geleden hadden we in feite meer vrije dagen in een jaar dan schooldagen. Dat is nu veranderd. De ouders konden niet langer voor de opvang zorgen en de publieke opinie heeft zich door de crisis heel snel tegen de leerkrachten gekeerd. We hebben dus drastisch ingeleverd op het aantal vakantiedagen. Daartegenover staat dat we geen tijd meer moeten steken in extra activiteiten als uitstappen, theaterbezoeken, schoolreizen, ouderavonden, spaghetti-avonden, opendeurdagen enz. Door het samenscholingsverbod zijn die activiteiten geschrapt. Zo is er toch nog wat vrije tijd over.
Rutger (17) in 2006:
«Piloot of marketing»
«Wat ik volgend jaar wil gaan studeren? Piloot of marketing. Als ik slaag voor de ingangsproef, wil ik piloot worden. Het liefst van een F-16. Hoe sneller, hoe beter. Of ik ook in een oorlog wil ingezet worden? Waarom niet? Zonder de gevechtsvliegtuigen vallen er nog veel meer slachtoffers. Zij kunnen precisieaanvallen uitvoeren en de schade beperken. Ik volg op CNN dikwijls de oorlogsbeelden van dergelijke aanvallen. Fascinerend vind ik dat.
Marketing lijkt me een andere optie. Er zijn nog altijd nieuwe producten en nieuwe markten. Reclamefilmpjes vind ik meestal leuk om naar te kijken. Maar soms zijn ze ook zo voorspelbaar en saai. Net als de meeste televisieprogramma’s: Big Brother, Expeditie Robinson, De Werf, The Block… allemaal softe televisie. Het mag wat spannender!»
Rutger (27) in 2016:
«Iedereen kijkt nu naar De Sluipmoordenaar»
Tussen 20u en 21u is er in heel Vlaanderen geen mens meer op straat. Iedereen kijkt er al twee jaar naar “De Sluipmoordenaar”, de succesformule van TVX. Meer dan 25 landen hebben de tv-rechten gekocht, maar voorlopig durft geen enkel ander land het programma uitzenden. Rutger (27) is als producer één van de jonge Vlaamse tv-makers die is opgegroeid met Big Brother en de lijn onverbiddelijk doortrekt.
De kijkcijfers zijn enorm, nagenoeg heel Vlaanderen kijkt mee
Vroeger waren tv-zenders al blij met een miljoen kijkers en een bereik van 35%. Op dit ogenblik kijken elke dag bijna vier miljoen Vlamingen naar “De Sluipmoordenaar” en halen we een bijna maximaal bereik. Dat is de wereldtop. Iedereen kijkt mee. Het leven valt gewoon stil tussen 20u en 21u.
Het gaat er nochtans heel gewelddadig aan toe
Dat is relatief. Tien jaar geleden toonde het TV-journaal ook al beelden van mensen die met een zwaard onthoofd werden. Dat was dikwijls veel gruwelijker dan wat wij tonen. De mensen vroegen echter steeds meer om dergelijke beelden. Ze gingen ze zoeken op het internet enz. Ondertussen zijn we dat allemaal gewoon worden.
Zelfs de kinderen kijken mee
In het begin hoorde je daar nog wat kritiek op, maar die is nu volledig stilgevallen. Het programma heeft immers ook een duidelijk opvoedkundige taak. Als afschrikwekkend voorbeeld mag het tellen. Jongeren gaan nu wel twee keer nadenken voor ze zich misdragen. Dat kan je niet vroeg genoeg leren.
Nooit eerder bevatte een programma zoveel suspens
Het is inderdaad een sterk format dat je als kijker aan je scherm kluistert. De kracht zit echter vooral in de optimale mix. Dit is geen fictie: de sluipmoordenaar kan in de loop van het programma gewoon in je eigen huis opduiken.
Meestal treft hij het doelwit met één schot raak
Het programma wordt dan ook heel minutieus voorbereid. Wij laten niets aan het toeval over. Het doelwit en zijn omgeving mag echt niets in de gaten hebben. Soms werken er weliswaar familieleden of collega’s mee. Zij waren dan zelf slachtoffer van het doelwit, bijvoorbeeld bij verkrachting of incest. Voor hen is het even spannend als voor ons. Het researchteam werkt soms maandenlang in het grootste geheim aan een dossier. De sluipmoordenaar zelf is een goed opgeleide scherpschutter. Er mag niets fout lopen.
Zijn identiteit wordt zorgvuldig geheim gehouden
Dat klopt. Hij is altijd gemaskerd en wordt uitsluitend van op de rug gefilmd. Als zijn missie volbracht is, wordt hij onmiddellijk in een anonieme wagen naar zijn onderduikadres gebracht. Van daaruit leidt hij een heel normaal leven. De sluipmoordenaar is geen onbekende, maar niemand kent hem.
Het kan je buurman zijn
Precies. Maar hij handelt nooit in eigen naam. Zijn dossier is goed voorbereid.
Daarvoor werken jullie samen met de politie
Uiteraard. Van hen krijgen wij dossiers die ze zelf niet kunnen oplossen. Vaak omdat ze te weinig mensen en middelen hebben. Soms ook omdat een rechtszaak te lang zou duren of omdat de feiten dreigen te verjaren. Daar is de publieke opinie heel gevoelig voor geworden. Wie iets mispeutert mag zijn straf niet ontlopen.
In de slipstream van het programma is ook de krantenverkoop gestegen
Gestegen? Verdrievoudigd! De drie grootste kranten werken uitstekend samen met TVX. Ze brengen elke dag verslag uit van de actie van de Sluipmoordenaar, interviews met de buren, familie van het doelwit en zijn slachtoffers, exclusieve foto’s van de terechtstelling enz. Om 21u komt er een heel redactieteam in actie. Het is nachtwerk, maar daardoor hebben de kranten elke ochtend gegarandeerd een successtory op de cover. Die investering rendeert. Er worden in totaal meer dan drie keer zoveel kranten verkocht als twee jaar geleden.
De twee kleinere kranten zijn wel bijna van de markt gespeeld
Zij hebben geweigerd om mee in de boot te stappen. Dat is hun keuze. Wij geven de mensen wat ze vragen. Bovendien wordt elk programma begeleid door een team van specialisten die ook duiding geven bij de misdaden van het slachtoffer, de waarden van onze samenleving enz. Ook de kranten gaan daar uitvoeriger op in. Dat zijn vaak kwaliteitsvolle artikels. En altijd actueel: de mensen zijn dankzij de Sluipmoordenaar veel gevoeliger geworden voor die thema’s.
Het doelwit heeft meestal een verleden als verkrachter, pedofiel, pleger van een vluchtmisdrijf, ontsnapte misdadiger…
Of regelrechte bullebak. Het is voor de programmamakers heel belangrijk dat ze de publieke opinie mee hebben. We willen de kijker immers niet voor het hoofd stoten. We willen hem het gevoel geven dat wij in zijn plaats het recht in eigen hand nemen. Verkrachters die aan hun straf ontsnapt zijn omdat de feiten zogezegd verjaard zijn, daar kent de publieke opinie geen genade voor. Hetzelfde voor pedofielen. Meestal laten we in het eerste deel van de uitzending slachtoffers van het doelwit aan het woord: pakkende getuigenissen van mensen die hopen dat ze zich via de Sluipmoordenaar kunnen wreken. Het doelwit kan ook een vluchtmisdrijf gepleegd hebben. Hij heeft iemand doodgereden en zit nu rustig in zijn zetel tv te kijken. Meestal heeft hij het pas heel laat in het programma door dat hij het doelwit is. Maar dan is de Sluipmoordenaar al in zijn huis geraakt. En de camera volgt. Het programma vat in een pakkende en gebalde stijl onze hele zoektocht samen en eindigt letterlijk in de nek van het doelwit.
Proberen ze dan niet te ontsnappen?
Meestal reageren ze zoals een konijn voor een lichtbak: verstijfd van schrik blijven zitten en hopen dat het voorbij gaat. Soms rennen ze inderdaad in paniek de voordeur uit of hebben ze enkele uren op voorhand lont geroken. Dan is het voor ons uiterst belangrijk om alert te blijven. We kennen de tijdsbesteding van het doelwit heel nauwkeurig, weten waar hij is of kan zijn, kennen zijn mogelijke vluchtroutes en onderduikadressen… Toch slaagt er af en toe iemand in om effectief te ontkomen.
Wat doen jullie dan?
De kranten helpen dan heel sterk mee om de klopjacht te voeren. Er is geen ontkomen aan. Meestal hebben we hem na een dag of drie. Dergelijke serials drijven de kijkcijfers uiteraard ten top. Er zijn in twee jaar tijd nog maar vier doelwitten op vrije voeten gebleven. Maar we blijven ze op de hielen zitten.
Het blijft ook voor de Sluipmoordenaar gevaarlijk. Is het nog nooit fout gelopen?
In het begin is dat twee keer gebeurd. We gaan altijd na of het doelwit mogelijk gewapend is. Daar hebben we ons enkele keren in vergist. Nu kunnen we ook dergelijke situaties beter aan. Als het nodig is opereert de Sluipmoordenaar met een speciaal interventieteam. We proberen het aantal slachtoffers te beperken en alleen het ene doelwit te raken. Maar je kan niet koken zonder eieren te breken. Omdat de Sluipmoordenaar zelf ook zijn leven op het spel zet, wint hij de sympathie van de kijker. It’s a fair deal.
Hoeveel doelwitten hebben jullie al uitgeschakeld?
Zo’n honderddertig denk ik. Het programma loopt nu bijna twee jaar. Aanvankelijk zijn we gestart met twee uitzendingen per week, maar nu zijn het er zeven. Het programma staat elke dag van de week geprogrammeerd. Klokvast tussen 20u en 21u, ook in het weekend. Sommige doelwitten zitten alleen op zondagavond voor hun tv en dat is voor ons het gemakkelijkste moment om toe te slaan. Maar hij kan ook gewoon iemand neerleggen op straat. Niet elke uitzending gaat de Sluipmoordenaar ook effectief in actie. De verrassing is voor ons het belangrijkste. Soms starten we gewoon met een tekenfilm, een seksueel getint programma of een herhaling van een voetbalmatch, om het doelwit in de war te brengen. We kunnen die programma’s echter op elk moment onderbreken voor de livestream. Sommige avonden komen we ook tijdens de andere programma’s nog terug. Alles gaat live en dan kan er soms al wat fout lopen. Een doelwit kan in de file zitten, maar ook daar kan de Sluipmoordenaar genadeloos toeslaan.
Zijn de mensen niet bang geworden?
Integendeel. Ze zijn gerustgesteld dat het recht zegeviert. Er is nu ’s avonds veel minder volk op straat, eigenlijk nagenoeg niemand meer. Iedereen heeft wel sympathie voor de Sluipmoordenaar maar hem tegen het lijf lopen, willen ze nu ook weer niet. Wie niets mispeutert, heeft trouwens geen enkele reden om bang te zijn.
Leidt het uitgaansleven hier niet onder?
We hebben daarover strikte afspraken: in principe knallen we alleen tussen 20u30 en 21u. De winkels zijn dan al dicht. We mijden ook andere plaatsen waar veel mensen samenkomen: café’s, bioscopen, theaters enz. Als we niet anders kunnen, zullen we dat altijd heel discreet doen: een geluidsdemper, infraroodcamera’s enz om de omstaanders niet te erg te verstoren. Meestal zijn zij echter ook opgelucht dat de Sluipmoordenaar zijn werk gedaan heeft. Ze geven dan graag meteen een interview omdat ze niet wisten dat ze zo kort bij een doelwit zaten. En zo beleven zij ook even hun moment de gloire.
Kan de Sluipmoordenaar zich niet vergissen?
Dat gebeurt. Maar dat doet de klassieke rechtspraak ook. Als je weet hoeveel mensen vroeger ten onrechte in de gevangenis zaten… Dan bleek pas na vele jaren dat ze onschuldig waren. Dat kost de staat ook veel geld. Onze dossiers worden heel sterk voorbereid. Er zijn meer advocaten mee bezig dan in de klassieke rechtspraak. Vergissen is menselijk maar dat percentage is te verwaarlozen.
Zijn jullie acties legaal?
Natuurlijk. Dat wordt allemaal dubbel gecheckt. Tien jaar geleden zou daar nog een rel over kunnen geweest zijn. Maar na de grote hervorming van politie en gerecht, drie jaar geleden, past dit format eigenlijk perfect in de nieuwe aanpak. Strenge straffen, geen uitstel, geen lange processen, geen gezwets, het recht in handen van de mensen, de politie als verlengstuk van de informele volksjury… u kent de grote lijnen van deze vernieuwingsoperatie.
Er gaat veel aandacht naar de nazorg.
Dat klopt. Het lijk van het doelwit wordt onmiddellijk weggebracht. De plaats wordt volledig clean achter gelaten. Daar reist een speciaal team voor mee. De begrafenis gebeurt vrij snel en in intieme kring. De grootste nazorg gaat naar de slachtoffers van het doelwit. Dikwijls zijn zij heel opgelucht dat gerechtigheid is geschied, maar omdat het zo snel gebeurt, verloopt dat psychologisch heel anders dan bij gewone rechtspraak. Daar besteden we dus gespecialiseerde aandacht aan.
Zijn er niet meer doelwitten die zelfmoord plegen als ze de bui zien hangen?
Dat gebeurt inderdaad. Dat is vooral vervelend voor de researchers. Soms hebben ze maanden werk gestoken in een programma dat er uiteindelijk niet komt omdat het doelwit zelfmoord pleegt. Dat komt vaak voor bij zogeheten “brave burgers” die een dubbel leven leiden: de keurige huisvader die ook een pedofiel blijkt te zijn, bijvoorbeeld. Het globaal aantal zelfmoorden is echter gelijk gebleven. Er zijn nu iets meer daders die zich van kant maken, maar daar tegenover staat dat minder slachtoffers tot wanhoop worden gedreven door een gevoel van frustratie over de rechtsstaat.
De hele bevolking wordt bij het programma betrokken.
Klopt. Vroeger had je ook wel opsporingsprogramma’s waarbij gewone mensen konden helpen een moordzaak op te lossen. Bij ons krijgen ze echter de kans om verdachte buren, familieleden of collega’s op voorhand aan te geven en hun levensloop te laten nagaan. Daar komen vaak de interessantste tips uit. We worden er werkelijk door overrompeld. Daarom is het programma ook zo herkenbaar voor de gewone mensen.
Er zitten ook verrassingselementen in.
Soms halen we bijvoorbeeld een grap uit. Dan wordt er een volledig dossier in scène gezet, waardoor een nietsvermoedend doelwit minuut na minuut ontdekt dat het uiteindelijk over hem gaat, terwijl hij werkelijk niets gedaan heeft. Zijn paniekreacties filmen we dan met een verborgen camera. In zo’n geval komt de Sluipmoordenaar wel in de buurt maar drukt hij alleen een niet geladen revolver af. De opluchting van het doelwit, zorgt dan weer voor verrassende televisie. Het spelelement blijft op die manier verzekerd. Soms verwerken we er zelfs een soort Russische roulette in: de kogel draait in de lader, maar het doelwit heeft een blanco kans. Dat gebruiken we als we bijvoorbeeld niet voor de volle honderd procent zeker zijn van zijn schuld. We mogen daar echter niet mee overdrijven. Het publiek wil uiteindelijk vooral dat gerechtigheid geschiedt.
TVX is dankzij het format de grootste commerciële zender geworden.
De hele programmatie draait rond de Sluipmoordenaar. Het journaal opent er elke dag mee, er is veel human interest rond opgehangen en quiz en show. Het moet tenslotte verteerbaar blijven. Aanvankelijk hadden de adverteerders schrik om met het programma geassocieerd te worden. Maar nu het zo’n kijkcijferkanon is, staan ze te drummen. We hebben er ook een succesrijke shopline aan gekoppeld: speciale alarmsystemen en kogelvrije vesten doen het uitstekend. De laatste hit is een speciale Sluipverzekering. Als het programma je ooit als doelwit te pakken krijgt, krijgen je nabestaanden toch een uitkering.
Hebben jullie nog nieuwe programma’s in de pipeline zitten?
Er zijn wat proefprogramma’s gedraaid met politici, ambtenaren en zakenmensen die zich voor een volksjury moeten verantwoorden. De leugendetector speelt daarin ook een rol. Maar zolang de wet niet veranderd is, waardoor we deze mensen kunnen verplichten om zich te verantwoorden, kunnen we de straf niet zwaar genoeg maken. Uiteindelijk moet een executie mogelijk zijn. Dat is voorlopig alleen wettelijk in orde voor pedofielen. In “Bij hun Pietje” worden zij live gecastreerd. Dat programma loopt al enkele jaren. Er waren al heel wat programma’s met verschrikkelijke operaties te zien. Die stap was dus snel gezet. Maar het programma is niet half zo spannend als de Sluipmoordenaar.