Leo Bormans

Hoofdstuk uit ’100% Positivo’

Groeten uit de MUG

Ik lig in de MUG. Zwaailichten. Zuurstofmasker. Een dokter en twee verplegers naast me. Twintig minuten geleden kwam ik gewoon bij de huisarts binnen. Al sinds vannacht drukkende pijn op de borst. “Ga naar de dokter”, zegt mijn vrouw. “Ga maar even liggen”, zegt de dokter. Hij sluit een toestel aan. Drie minuten later, ernstig: “Blijf nu heel rustig liggen. Ik bel de MUG. Jij bent een hartinfarct aan het maken.” Wist ik veel.

Mijn vrouw is er sneller dan de MUG. Er komen ook ambulanciers binnen. Ze rijden me naar buiten. Drie wagens zwaaien met spoed achter elkaar het dorp uit: de MUG, de ambulance, mijn vrouw. Ik verbaas er mij over hoe rustig ik blijf.
“Wat kan er nu gebeuren?” vraag ik aan de dokter.
“Jij kan doodgaan”, zegt hij. “Maar we gaan er alles aan doen opdat dat niet zou gebeuren”. “Zal ik in coma gaan?”
“Nee”, zegt hij.
Ik ben blij dat ik het bewust zal meemaken.

“Heb jij een stresserend beroep?” vraagt de dokter.
“Niet echt”, zeg ik met een leugentje om bestwil. “Als ik uw beroep zou hebben, zou me dat pas stress bezorgen. Ik schrijf en ik organiseer maar heb het leven van mensen niet in handen.”
De dokter overloopt de andere risicofactoren: Rook je? Nee. Ouders hartproblemen? Niet echt. Ze zijn allebei ver in de tachtig geworden.
Ik zeg dat ik niet begrijp dat ik in een hartinfarct zit. Zoiets treft je toch als een bliksemschicht en deze pijn voel ik al een uur of zeven.
“Dat is het nu net”, zegt de dokter bezorgd. “De meeste mensen herkennen de symptomen van een hartinfarct niet. Ze denken dat je een steek in je hart krijgt en neervalt. Dat beeld hebben ze uit films. Dat heet echter een hartaderbreuk en komt veel minder vaak voor dan een infarct. Maar het is gemakkelijker te filmen. Vandaar.”
Ik voel me voor de zoveelste keer intens bedrogen door media.
“Het is toch straf”, zeg ik “Dat we blijkbaar niet eens de symptomen van een van de meest voorkomende doodsoorzaken kennen.”
“Spijtig, heel spijtig”, zegt de dokter.
“We gaan een bewustmakingscampagne organiseren”, zeg ik. “Ik geef elke maand meer dan een miljoen tijdschriften uit…”
“Jij bent echt wel een soort positivo”, lacht de dokter. “Het zou mooi zijn maar die campagnes zijn voor later. Nu gaan we eerst jou redden.”
Ik lig op mijn rug en zie de wolken boven mij voorbij drijven. De verkeersdrempels geven een schok.
“We zullen je op zweefstand zetten”, zegt de verpleger. Zweefstand!
Opvallend hoe goed ze samen werken: de huisdokter, de spoedarts, de verplegers, de ambulanciers…. Ze verstaan mekaar meteen alsof ze de universele taal van de pijn en het zijn spreken. Als een verpleger de monitor aan de verkeerde kant zet of zijn handschoenen vergeet aan te doen, wordt hij snel gecorrigeerd. Duidelijke taal. Teamwork.
“Je moet nu vooral klagen”, zegt de dokter kordaat. “Verbijt je pijn niet.”
“Het is lang geleden dat ik dat nog iemand heb horen zeggen: klaag!”, zeg ik. Stel dat we dat wat vaker zouden zeggen: klaag maar, ik luister. Zouden veel problemen dan niet sneller opgelost zijn thuis, in relaties, op school? Klagen – luisteren – efficiënt reageren.
“Als je niet klaagt, kunnen we niet ingrijpen”, zegt de dokter. “Elke klacht is een symptoom.”
We rijden een ondergrondse garage binnen. Spoedafdeling. Nog meer witte en groene mensen.
“Je hart is er na al die tijd waarschijnlijk erg aan toe”, zegt de dokter. “We zullen zo meteen weten of we moeten opereren. Nog klachten?”
“Als ik op mijn zij ga liggen, doet het minder pijn”, zeg ik.
“Op je zij? Bij een hartinfarct maakt dat geen verschil”, zegt hij met een frons.
Er wordt wat over en weer gepraat. Mijn vrouw kijkt vijf meter verder bezorgd maar even rustig toe. Ik steek mijn duim op. De verplegers rijden een nieuw toestel voor.
“Hiermee kunnen we zien of het misschien toch nog iets anders is”, zegt de dokter. “Het duurt drie minuten.”
Drie minuten. Ik zeg al jaren dat ik op het moment dat ik doodga mijn laatste zinnen niet wil beginnen met “Had ik maar…” of “Was ik maar…”. Daar denk ik nu aan. Inderdaad. Ik kan niks bedenken dat met hadikmaar of wasikmaar zou kunnen beginnen. Mijn leven flitst niet eens in een film voorbij. Geen cello’s en violen op de achtergrond. Ik bedenk dat doodgaan vooral ook doodgewoon is. Heel banaal. Je ligt in een ondergrondse garage. Ze trekken je broek uit en sluiten je op een toestel aan. Drie minuten wachten. Zijn dit de langste drie minuten van mijn leven?
De dokter lacht.
“Jij hebt geluk gehad”, zegt hij. “Het is geen hartinfarct. De huisdokter en de MUG kunnen dat niet zien. Jij hebt pericarditis. Dat is een vrij onschuldige hartvliesontsteking met vrijwel dezelfde symptomen. Een virus waartegen je niks kan doen. Het kan iedereen, oud en jong, plots overvallen. Aspirine is het enige medicijn. Morgen mag je naar huis.”
Ook nu wordt er niet geroepen, gehuild of gegild. Geen fanfaremuziek of vuurwerk. Ze rollen me een tijdelijk bed in. Ik stuur mijn vrienden een sms’je met de boodschap: “Je kan nooit raden waar ik nu ben beland, maar ik groet je zeer”. Dan val ik in slaap.

’s Anderendaags drinken we champagne. Op het paleis van de koningin. Ik was er zowaar uitgenodigd als “een van de vierhonderd Vlamingen” die in de paleistuinen van Laken de zeventigste verjaardag van Koningin Paola mocht komen meevieren.
“Blij dat u er bent”, zegt ze.
Ik toon het plastic bandje van de spoeddienst rond mijn arm. En ik ben blij dat ik het verhaal kan navertellen.

Toen dit gebeurde, was dit boek half af. Of het moest nog half geschreven worden. Het is maar hoe je het bekijkt. Meer dan ooit was ik plots overtuigd van het nut daarvan.

De tip. Neem je voor dat je laatste zinnen niet zullen beginnen met “was ik maar…” of “had ik maar…”. Neem de beslissingen die je wil nemen nu. Stel ze niet uit tot morgen. Die houding stelt je in staat hier en nu, in alle gemoedsrust, bewust te genieten van het volle leven en daar ook naar te handelen.